Twee fenomenen onderscheiden NAC
Geschreven door Chris van Nijnatten   
Onderstaande tekst komt van de hand van Chris van Nijnatten. Voor het boek "50 jaar betaald voetbal" schreef hij een stuk over NAC, Rat Verlegh en Breda. Met zijn toestemming hebben wij zijn gehele artikel hieronder geplaatst.


De eerste wedstrijd uit de geschiedenis van NAC verloren de Bredanaars. Het was een vriendschappelijke wedstrijd in Middelburg. Op 6 oktober 1912 versloeg Zeelandia daar de net opgerichte fusieclub met 4-1. Waren de voetbalclubs Nooit Ophouden Altijd Doorgaan (1894) en Aangenaam Door Vermaak En Nuttig Door Ontspanning (1904) dáár nou voor samen gegaan? Ach, winnen deed men graag, bij NAC. Maar het had niet de eerste prioriteit. Bij de start van de eredivisie ging het niet veel anders. NAC begon, uit tegen Ajax, en verloor; met 1-0. Het is niet reëel om een verband te zoeken tussen beide wedstrijden. Dat verband is er immers niet. Bovendien was het in 1956 net als in 2004 voor NAC geen schande om in Amsterdam van Ajax te verliezen. Bij NAC gaat het al bijna honderd jaar niet in de eerste plaats om winnen.

De club NAC is een heel andere dan alle overige profclubs in Nederland. Dat vindt iedere supporter van zijn eigen club, maar in het geval van NAC is het ook écht zo. Maar hoe toon je zoiets aan? Je weet het pas echt als je tientallen seizoenen lang de club in al zijn bewegingen gevolgd hebt. Maar het is ook op afstand wel enigszins vast te stellen. Vooral geografisch gezien móest NAC haast wel een buitenbeentje worden. Breda, het zal niemand ontgaan zijn, ligt in Noord Brabant, maar is de minst Brabantse stad van alle stedelijke agglomeraties in die provincie. Daar liepen van oudsher alle verbindingswegen van west naar oost en omgekeerd. Slechts één liep er in het verleden van noord naar zuid, van Holland naar Antwerpen, en precies in het midden daarvan, ligt Breda. Het was bovendien een garnizoensstad, waardoor die plaats al vrij vroeg een licht exotisch karakter had. Het voelt er, aangewakkerd door heel veel horeca Vlaams, Rotterdams en Brabants tegelijk aan, dat bij elkaar bepaalde de sfeer van de stad Breda en eigenlijk is dat nóg wel zo. En precies die ziel van de stad Breda vind je terug in het DNA van NAC.

In de jaren tachtig zong een kerel op de overdekte staantribune van het oude NAC-stadion, aan de Beatrixstraat, altijd dat NAC de koning was. Ik zong het lied uit volle borst mee, net als iedereen om me heen. Maar ik heb me later in opdracht van de plaatselijke krant, het dagblad De Stem, wel eens afgevraagd of NAC wel een koning kon zijn en wat daar dan wel mee bedoeld werd. We stonden daar vroeger niet bij stil, omdat het gevoel goed was, concludeerde ik. Het gevoel dat NAC iets onmetelijks was, iets Bredaas en iets ongelooflijk moois en warms, zelfs zo mooi en warm dat je er letterlijk voor ten strijde wilde trekken, als de koning dat nodig had. Bij NAC is iedereen gelijk en vooral heel erg Bredaas. Een stam zonder opperhoofd, maar wel met een koning en die koning, dat waren we eigenlijk zelf, zoals wij zelf ook NAC waren en zijn.

Aan een stad kun je verslingerd raken, gewoon, door er geboren te worden. Maar ook door de sfeer, door architectonische extremiteiten, door je vrienden die er wonen, door een paar goede cafés. De contouren van zo’n stad doen een mens gloeien als-ie er terugkeert na een lange vakantie of na slechts één dag elders hard werken. De ziel van zo’n stad geeft zich maar op een paar plaatsen bloot en doet dat zéker in het plaatselijke voetbalstadion.

In NAC balt zich alles samen wat de Bredanaars aan hun stad bindt. Het is de trots die je in je gewone bestaan hebt leren te verstoppen. Het is een uit een diep en ver verleden stammend eergevoel, dat in deze tijd niet overal meer op prijs gesteld wordt. Dat chauvinisme wordt schaamteloos getoond aan iedereen die er bij wil zijn in het stadion dat steeds naar een andere sponsor vernoemd wordt, maar dat door de echte supporter Rat Verlegh-stadion genoemd wordt. In deze van lelijke maar wel voetbal ademende tempel winnen ze hun veldslagen, beramen ze veldtochten naar elders. Hier zingen ze van de paarse heide en van het eten van papegaai. Daar wordt gejuicht en gehuild om doelpunten. Daar is de betovering van geel en zwart het heftigst. Buiten het stadion is alles en iedereen hetzelfde. Steeds minder reservaten openen hun poorten om er het geloof in kleinschalig chauvinisme te komen belijden. Maar bij NAC kan het nog. Zo voelt de achterban van NAC het in ieder geval, denk ik. Ik denk het te weten omdat ik er deel van uitmaak. Natuurlijk lijkt het kinderachtig en zelfs irritant, dat er bij NAC geen deuntjes zijn na een doelpunt, dat er geen trommels in de eigen vakken klinken, dat er nooit de standaard liedjes gezongen worden. Het lijkt op aanstellerij, maar het is juist een heel pure opvatting. Een aanhanger van NAC wil dat zijn club op niets lijkt.

De meeste andere betaald voetbalclubs wensen zich op sportief gebied te onderscheiden. Dat willen door de jaren heen, het zal nooit veranderen, de technisch verantwoordelijken van NAC ook. Maar winnen is daar slechts een niet onbelangrijke bijzaak. Sla er de geschiedenis van NAC op na. Er zit voetbaltechnisch gezien weinig heroïsch in. In 1921 werd de club landskampioen, in 1973 werd de KNVB-beker gewonnen en dat is het dan wel zo’n beetje. De geschiedenis van de club wordt veel meer bepaald door twee fenomenen; het Avondje NAC en Rat Verlegh. Daarin vindt de aanhanger van NAC alles wat hij wil zien in zijn club. Met die conclusie worden grote namen als Peter van der Merwe, Norbert Pogrzeba, Ad Brouwers, Pierre van Hooijdonk, Tim Meeùs, Frans Bouwmeester, Bob Latchford, Kees Rijvers, Kees Kuys, Daan Schrijvers, Ton Lokhoff of Gabor Babos niet te kort gedaan. Zij allen genoten immers het voorrecht hoofdrollen te hebben gespeeld in een verschijnsel dat vanaf 1912 Breda en omgeving boeit. En dat verschijnsel is vormgegeven door Rat Verlegh en uiteindelijk rijp gemaakt voor nieuwe tijden door het Avondje NAC.

Antoon 'Rat' Verlegh
Rat Verlegh werd geboren in 1896 en stierf in 1960 de verdrinkingsdood langs de A-16 in een plas ter hoogte van Prinsenbeek. Hij raakte op 12 maart met zijn auto te water, pas twee dagen later werd hij gevonden. De fotograaf Hans Chabot legde het moment waarop de auto boven water getrokken werd vast. ,,Ik zag hem liggen, zijn voeten zaten tegen de voorruit aan gedrukt’’, vertelde Chabot. Breda was in rouw na het overlijden van Verlegh. In de dagen dat hij kwijt was, bleek het eerste elftal van NAC danig van slag. De thuiswedstrijd tegen Sportclub Enschede ging met 1-2 verloren. En dat verlies was raar, want NAC had uit in Enschede gewonnen en zou aan het eind van dat seizoen als vijfde eindigen in de eredivisie, achter Ajax, Feyenoord, PSV en DOS. Het effect van Verleghs verdwijning is dus zichtbaar in de statistieken van de club.

De invloed van Rat Verlegh, eigenlijk heette hij Antoon, op NAC is immens groot geweest en doet zich tot op de dag van vandaag voelen. Zo is de in Breda en omstreken zeer populaire supporterssite www.derat.nl vernoemd naar deze grote clubman. Op die site wordt Verlegh op bijzondere wijze onder de aandacht gebracht. Het is een eerbetoon van jonge supporters aan de man die veel te lang een vergeten held was.

Verlegh werd onmiddellijk na de oprichting van de club lid. Vrij snel haalde hij het Nederlands elftal en onder zijn impulsen behaalde NAC de eerste en tot nu toe enige landstitel. Precieze cijfers zijn door de clubhistorici niet meer te achterhalen, maar Verlegh speelde tenminste 295 wedstrijden in het geel en zwart en maakte daarin 125 doelpunten. Rat Verlegh speelde op alle posities, maar in zijn acht interlands werd hij slechts benut als rechtshalf en rechtsbinnen. Hij nam op een wat merkwaardige manier afscheid van Oranje. Op 22 april 1928 stond hij opgesteld voor de thuiswedstrijd tegen Denemarken, maar kort voor het begin van de interland keurde een arts hem af. Dat mysterie is verder nooit uit de doeken gedaan, een negende interland zou Verlegh nooit meer spelen. Zes jaar later stopte Verlegh met voetballen. Daarna vervulde hij diverse bestuursfuncties bij NAC - hij schopte het tot erevoorzitter - en binnen de nationale voetbalbond. Hij was zelfs lid van de keuzecommissie waarin de opstelling van het Nederlands elftal bepaald werd.

Bij NAC zat hij in een gelijksoortige commissie en stond hij ook jaren lang als trainer op het veld. Verlegh deed alles graag in de praktijk voor en hield van aanvallend, dominant en attractief voetbal. Dat gevoegd bij zijn beslissing om permanent een ‘mental coach’ bij NAC (we hebben het hier over de periode ‘34/’45!) in de technische staf aanwezig te hebben, voedt de gedachte dat bondscoach Marco van Basten een gereïncarneerde Rat Verlegh is. Maar dat gaat wellicht wat te ver.

Verlegh was in verenigingsblad De NAC-Klok ook een echte opinion-leader. In grote gezelschappen sprak hij moeilijk, op papier was hij voor die tijd geniaal. Het blad werd in de Nederlandse voetbalwereld tamelijk serieus genomen. De communicatiemiddelen van nu moesten toen vrijwel allemaal nog uitgevonden worden. Verlegh was in feite een voorloper van alle analytici die momenteel het voetbal beoordelen. Had hij nu geleefd, dan was hij waarschijnlijk Willem van Hanegem geweest. Hij werd ook vaak geciteerd. Met name de legendarische sportjournalist ir. A. van Emmenes refereerde vaak aan de technische epistels van Verlegh. Zowel als voetballer als daarna als trainer en bestuurder legde Verlegh de basis voor wat NAC nu is. Vanuit Bredaas perspectief is hij daarom groter dan Johan Cruijff of Abe Lenstra. Hij goot het fundament voor het lievelingsvoetbal van de gemiddelde supporter van NAC door de jaren heen; technisch geschoold, gecombineerd met heel veel strijdlust. Verlegh is een mythische figuur geworden in de geschiedenis van NAC en het is daarom jammer dat het stadion van de club niet naar hem vernoemd is.

Avondje NAC
In die zin zal het andere fenomeen binnen NAC nooit een concurrent kunnen zijn van Rat Verlegh. Het betreft hier namelijk het even ongrijpbare als onweerstaanbare Avondje NAC. Het volgende is echt waar: Johan Cruijff hield eens een verhaal over wat er allemaal los komt in stadion Camp Nou bij de jaarlijkse competitiewedstrijd tussen FC Barcelona en Real Madrid. Hij trok de vergelijking met een Avondje NAC. Zou een ander het zo gedaan hebben, dan was die er zijn leven lang om uitgelachen. Maar het was Johan Cruijff die het te berde bracht. Hij overdreef een tikje, maar was kennelijk zijn klassieken niet vergeten. Het Avondje NAC is onderdeel gaan uitmaken van het algemene bewustzijn in het Nederlandse voetbal.

Heel mooi en tevens typisch Bredaas is het feit dat dat Avondje volledig toevallig is ontstaan. Er was totaal niet over nagedacht. Het ontstond gewoon. Het voor NAC achteraf bezien zeer bepalende moment voltrok zich op 27 december 1975. Toen deed de toenmalige trainer Bob Maaskant voor de vriendschappelijke wedstrijd tegen Fortuna Düsseldorf letterlijk en figuurlijk het licht aan bij NAC. Onder zijn bewind verrezen er lichtmasten en kon NAC ’s avonds lichtwedstrijden spelen, als dat nodig was. Bob bedacht dat dat áltijd nodig zou zijn, want hij had een hekel aan overdag voetballen. Een fenomeen was geboren. Vrijwel geen club speelde toen standaard zijn wedstrijden op zaterdagavond. Lichtwedstrijden waren voor Europees voetbal. Daarvan had NAC er op dat moment precies drie thuisduels opzitten. Floriana uit Malta en Cardiff City ontving NAC in Eindhoven, tegen FC Magdeburg gold de Kuip als thuishaven. Pas 28 jaar later mocht NAC weer eens Europees spelen; Newcastle United kwam op bezoek. Het zal duidelijk zijn dat een niet zo pretentieuze club als NAC geen lichtmasten had aangeschaft voor alleen de buitenlandse, doordeweekse confrontaties.

Maaskant weet nog dat een spontane combinatie van factoren het Avondje maakten tot wat het in de herinnering van velen was en eigenlijk nog steeds moet zijn. ,,Je moet dan terugdenken aan het oude stadion. Zo had je er wel meer in Nederland, maar wij speelden plotseling ’s avonds in zo’n klein stadion. Er waren wel meer clubs met lichtinstallaties, maar die stadions waren groter, beter. Met die bomen om de tribunes heen, de invallende duisternis, de enorme herrie van de toeschouwers die dicht op het veld zaten. Geweldig. Het voetbal leek gewoon beter en sneller bij kunstlicht. Daar geloof ik nog steeds in. Sommige voetballers presteren ook beter in avondwedstrijden.

Fragment NAC - FC Twente
,,Ik speelde met drie bewegende spitsen, die mochten overal van me lopen; Tom Smits vanaf links, Jan Groeneweg in het centrum en de weergaloze Addy Brouwers vanaf rechts. Maar we hadden ook gasten die niet goed konden voetballen, Piet Kamps bijvoorbeeld, maar die zorgden dan weer voor het krachtvoetbal. Iedereen werd ondersteboven gespeeld. Vlak voor we het veld opgingen, moest ik er een hoop tot kalmte manen in de kleedkamer. Ze schuurden hun noppen scherp aan het beton. Het was allemaal niet zo mooi wat we lieten zien. Maar het sprak in Breda wel aan.

,,We wonnen bijna alles thuis en meestal gebeurde dat pas in de laatste minuten. Het publiek ging met die kick in het lijf weer weg, de stad in, de kroegen in. Ik durf te beweren dat in die tijd NAC niet alleen groeide, dat gold ook voor de plaatselijke horeca. Wij verschaften veel mannen, jong en oud, het perfecte alibi om een keer in de veertien dagen op zaterdagavond het huis te ontvluchten en een beetje de bloemen buiten te zetten. Als NAC speelde, was het altijd drukker op de Havermarkt.’’ De toenmalige secretaris van NAC, Eugène Lemmens, had destijds ook een functie in het bestuur van de FBO, de werkgeversorganisatie van het betaalde voetbal. Daarin hadden ze het ook medio jaren zeventig al wel eens over marketing, hoewel daar bij de clubs niemand al echt naar wilde luisteren. Hij bedacht de slogan ‘Een Avondje NAC? Ja gezellig’, een simpele variant op een bestaande kreet uit de reclamewereld van die tijd. ,,Ik had niet het idee dat ik een vondst had gedaan. Maar het klopte ineens gewoon allemaal. Jonge mannen en in mindere mate vrouwen kwamen op zaterdagavond naar ons. Alsof ze er al die tijd op hadden zitten wachten. Misschien was zondagmiddagvoetbal in Bredase ogen wel te duf en moest het voetbal van NAC gekoppeld worden aan uitgaan en aan feesten. Wie had dat kunnen denken? Op een dag vlogen we in een sportvliegtuigje met een ingehuurde piloot naar een dorpje onder Parijs. Daar wisten we dat er vier van die gekke ronde lichtmasten te koop lagen. We gingen er heen, lieten de boel overkomen, zetten die handel rechtop en zie daar: het Avondje NAC.’’

En plotseling was het fenomeen dus daar. Wat Rat Verlegh als eerste had geformuleerd, dat bouwde Maaskant uit en daar voegde Lemmens het horecagevoel aan toe. Op die manier ontstond een eigenwijze, afwijkende club. Of liever; een eigenwijze, afwijkende gemeenschap. Want beoordeel NAC puur op de statistieken en er rijst het beeld van een club van dertien in een dozijn. Maar NAC is meer dan alleen die voetbalclub. Zoals iedere voetbalclub meer is dan alleen een voetbalclub. NAC is een gemeenschap van regionalen, permanent in beweging, zelfrespect bouwend en soms afbrekend, een bak vol emoties, vanwege de stabiele combinatie van feesten, voetballen, zingen, drank en rumoer precies passend in de regio waar aan NAC zo veel belang gehecht wordt. En daarom dus anders dan de anderen, heel anders zelfs.