|
Naast de bekende Grote Kerk, heeft Breda nog een groot aantal kerken. Rond het eerste millennium werd al een klein kerkje gebouwd in het gehucht Breda . Dat eerste kerkje zou ongeveer op de plaats van de huidige Grote Kerk gestaan hebben. Deze houten kerk bleek alleen prima brandhout, waardoor er voor een stenen kerk gekozen werd. Daarover is meer te lezen in het hoofdstuk hieronder over de Grote Kerk. Toen Frederik Hendrik, de derde zoon van Willem van Oranje, in 1637 een einde aan de oorlog maakte kwam Breda definitief in Hollandse handen. In 1648, bij de vrede van Munster, werd bepaald dat de Katholieken hun kerken moeten opgeven. Zo kwam de Grote Kerk in handen van de Protestanten. De Katholieken trekken zich terug in schuilkerken (illegale kerken, denk aan Uli van Gobbel). Pas in 1750 konden Katholieken hun eigen geloof weer legaal betuigen, maar de Grote Kerk bleef protestants. Er moest voor de Katholieken een kerk komen die fungeerde als een centrale plek, wat de St. Antoniuskerk aan de St. Janstraat werd. De Grote of Onze Lieve Vrouwen Kerk Deze kerk staat voor wat elke Bredanaar trots maakt op zijn stad . Wie kent de verhalen niet over het gevoel van eindelijk 'thuis' te zijn na bijvoorbeeld een vakantie zodra de Grote Kerk aan de horizon verschijnt. Voor veel mensen zal gelden dat ze na de restauratie, die in 1998 werd beëindigd, nog meer verknocht zijn geraakt aan deze schitterende kerk. Het is allemaal begonnen in de 13e eeuw. In 1269 werd er in Breda voor het eerst melding gemaakt van de bouw van een nieuwe kerk. In een oorkonde van Elisabeth van Breda en Arnoud van Leuven, de toenmalige Heer van Breda, stond de volgende zin: 'dor de nohit en de dor dorbere der kerken van Breda tir thiet, doen men makede den stenne monster te Breda' (oh, is dit nou plat Bredoa's? ).Vanaf het midden van de 14e eeuw volgde een bloeiperiode voor de ons zo geliefde kerk. Jan I van Polanen (klik hier voor zijn woning) vestigt zich als 'heer van Breda' ook daadwerkelijk in het Bredase en tijdens de heerschappij van Engelbrecht II van Nassau en Hendrik III van Nassau viert de bloeiperiode hoogtij, beide waren namelijk hoge functionarissen aan het Habsburgse Hof. Het graf, of eigenlijk het grafmonument waar van Polanen in ligt, is nog steeds in de kerk te vinden.
Het volgende voor onze kerk belangrijke jaar is het jaar 1410 geweest. In dit jaar werd begonnen met de bouw van een nieuw koor wat door middel van het plaatsen van het koperen hek in 1412 werd afgerond. Aansluitend is het schip met de twee zijbeuken gebouwd, de transepten en twee kapellen aan weerszijden van het koor, de noordkapel over drie traveeën en de zuidkapel over vier traveeën. Deze bouwperiode wordt afgesloten met de wijding van de kerk door de wijbisschop van Luik, tot welk bisdom Breda toentertijd behoorde. Ook in deze tijd, in 1449 om precies te zijn, was er de historisch belangrijke komst van een, rond 1300 door Jan Bautoen bij het plaatsje Niervaart gevonden hostie, die bij de aanraking ging bloeden.
Dan gebeurd er een ramp: Een uit het begin van de 17de eeuw bewaard gebleven kreupel tijdvers (Een velleke meej een gedicht, we presume) maakt melding van het instorten van de toren in 1457 . Nadat onze kerk elf jaar 'torenloze' is geweest is in 1568 begonnen met de bouw van de nog altijd fier overeind staande toren. Graaf Hendrik III van Nassau zal in 1509 de toren laten voltooien. De houten bekroning wordt gehesen en gesteld, en een geschilderd en verguld kruis, met appel en haan, 510 pond zwaar er op gezet. De grote klok (je weet wel, dat ding dat altijd twee uur aanwijst als je uit de kroeg komt rollen) met voorslag werd in 1513 in de toren gehangen en tenslotte werd het bovenwerk met leien bedekt. Met het gereedkomen van de bouw van de toren en ook de zijkapellen kreeg Breda met de Grote of O.L.V. te Breda het enige voorbeeld in de provincie van een voltooide Brabants Gotische kerk. Opvallend is daarbij, dat het gehele gebouw bekleed is met ZuidNederlandse natuursteen. Hetgeen erg duur is, evenals alle andere restauraties die zijn gedaan in deze periode. Deze extra gelden waren het gevolg van het geld wat de bedevaarten naar het hierboven genoemde stukje hostie opleverden, een mooi verhaal dus.
Een ander mooi verhaal is dat van het onbekende grafmonument uit de 15e eeuw. In de Franciscuskapel bevind zich namelijk een sarcofaag met dekplaat, waarop het naakte lichaam van een man ligt op een met een dunne doek bedekte dodenmat. Over de betekenis van het monument doen veel speculaties de ronde. Vaak is gesuggereerd dat het hier het graf van de bouwmeester van de kerk betreft. Hiervoor ontbreken echter de bewijzen. Maar als het waar is: waar kunnen we ons inschrijven voor een bedevaart? Held
De 16e eeuw betekende opnieuw een bloeiperiode. In deze eeuw werden veel vroeg vroegrenaissance grafmonumenten en schilderingen gemaakt die als een van de weinige de beeldenstorm hebben overleefd. De beeldenstorm in 1566 maakte dus een abrupt einde aan de 2e bloeiperiode van de kerk.
Na de beeldenstorm brak voor de kerk een periode van onzekerheid aan. Meerdere malen zou de kerk in andere handen overgaan. Ondanks de beeldenstorm bleef de kerk tot 1576 in katholieke handen. Van 1577 tot 1581 kwam de kerk voor het eerst in protestantse handen, om vervolgens tot 1590 weer aan de katholieke eredienst te worden gewijd. Na de krijgslist met het turfschip zou Breda in handen van Prins Maurits komen en blijven tot 1625. De kerk was in deze periode dus weer in gebruik bij de protestanten. Kort, namelijk van 1625 tot 1637, zou de kerk weer aan de katholieken toebehoren, maar in 1637 kwam de kerk definitief aan de protestanten. Alles wat aan de katholieke eredienst herinnerde verdween definitief uit de kerk. Wat bleef waren de grafmonumenten, het koperen doopvont, de oude grafzerken en het gebrandschilderd glas.
In de tweede helft van de 17e en de 18e eeuw brak er voor onze kerk een wat mindere periode aan. Brabant werd onder het bestuur van de StatenGeneraal der Nederlanden een Generaliteitsland, ook wel wingewest genoemd. Van enig belangrijk economisch verkeer was geen sprake meer. Dus ook niet van economische groei of welvaart. Voor de Grote of O.L.V. Kerk betekende dit langzaam maar zeker verval, het onderhoud bleef beperkt tot de onvermijdelijke zaken. Gelukkig gebeurde dat nog wel, stel je voor dat ze de kerk toen hadden geruïeneerd, dat zou een ramp zijn geweest. Breda zonder kerk is namelijk als Breda zonder NAC, en dat kan natuurlijk niet. Een van de dingen die nog wel werd gedaan was het vernieuwen van de torenspits, welke was afgefikt in 1694. Veel van de beschadigingen aan de renaissancekunst is aan het eind van de 18e eeuw ontstaan toen de kerk werd gebruikt als huisvesting voor de Franse soldaten die Breda bezet hadden. (bastards )
Begin 19e eeuw werd een algemeen verbod tot begraven in de kerk van kracht. De laatste begrafenis in de Grote of O.L.V. Kerk vond op 16 november 1828 plaats. Meer dan 200 grafstenen, uit de 15de tot en met de 19de eeuw, bedekken de vloer van de kerk. Het ontbreken van regelmaat en de bijzondere lichtval maken dat de kerkvloer er anno 2004 nog steeds uit ziet als een vloer waar elke dag nog begraven wordt (klinkt toch een beetje luguber). Alles is er de kerk dan ook aan gelegen dit unieke karakter te bewaren, eeh ok, wij zien de charme er wat minder van, maar goed.
In de eind 19e eeuw en begin 20e eeuw zijn er drie grote restauraties geweest. De laatste werd zoals eerder gezegd in 1998 afgerond en afgesloten met een feestelijke heringebruikname van het gebouw, waarbij Koningin Beatrix aanwezig was. Het was dus groot feest voor Breda en eigenlijk voor heel het land. Er staat nu weer een juweel van een gebouw waar zelfs menig Tilburger nog jaloers op is.
De St. Antoniuskathedraal De St. Antoniuskerk wordt momenteel gerestaureerd. Met deze operatie is maar liefst anderhalf miljoen euro gemoeid. Terecht, de Antoniuskerk is ondanks zijn Zoetebierkarakter (tweede keus) een
De aanvraag tot de eerste kerk was in 1819. Pieter Huysers maakt een ontwerp die zal voldoen aan de katholieke eredienst en die alles met zich mee zal brengen wat op dat moment in het katholieke leven mag. Het ontwerp kostte ƒ 25.722,-. In principe niet duur, maar er is te weinig, ongeveer ƒ 20.000,-. Er komt een collecte, die levert te weinig op.
In 1834 komt er een tweede poging. Adrianus van Hooijdonk, op dat moment vicaris, die houd een collecte, welke ƒ 67.000,- oplevert, dat is genoeg en wordt een tweede ontwerp gemaakt. En dat ontwerp gaat naar de provincie, naar de ingenieurs van Rijkswaterstaat, die dat ook controleren. Het wordt afgewezen. Het wordt niet afgewezen om de vorm, dat was men gewent het neoklassieke. De katholieken hadden nog geen eigen architecten die een eigen stijl konden ontwerpen, dat was nog in wording. Op dat moment bouwt met klassiek met stucwerk. Het tweede plan werd afgekeurd op de constructie. Dat is in de kerk te zien. In het midden staan twee rijen van vijf zuilen. Er waren er vier getekend.
|
|